Hangmerels

Het is winter, we beleven een echte koudegolf volgens het KNMI, er ligt sneeuw en de wateren zijn dichtgevroren. De merels weten waar ze nu wezen moeten: in de tuinen van natuurvrienden. Daar ben ik er een van en dat zal ik weten! Zodra de nieuwe dag voorzichtig haar ogen opslaat laten de merels weten dat ze al klaar zitten en iets van mij verwachten. Ze maken mij wakker door een onophoudelijk geroep: klok, klok, klok. Omdat ik me er meteen van bewust wordt, ruk ik me los uit mijn slaap en sta op, een uur eerder dan ik in deze tijd van het jaar gewoon ben te doen. Snel trek ik een duster aan, doe een paar sloffen aan mijn voeten en ga naar beneden. Zodra de merels gewaar worden dat er leven in de binnenbrouwerij is, naderen ze de keukendeur. In hun opgezette zwarte verenpakken zitten mij als een stel opgeblazen  hell’s angels dwingend aan te kijken, vanaf de grond, in de heg, op de tuinkast , en ze roepen maar aldoor dwingend: klok, klok, klok. Ze gaan niet eens meer opzij als ik buiten kom met hun etenswaren, hooguit een tiental centimeters. Totaal gefocussed op dat voer blijven ze de hele dag in onze tuin rondhangen. Waarom zouden ze ook naar elders gaan, koek en zopie zijn hier volop voorhanden en het wak in de vijver wordt door het beluchtingpompje nog altijd opengehouden, als is het onderhand gereduceerd tot een centimeter of vijfentwintig. Dus drinken kunnen ze hier ook.


Ik pak de broodplank en snijd een paar sneden brood in flinterdunne stukjes. Vervolgens vul ik een schaal met kuikenopfokvoer en universeelvoer dat vol besjes en  gedroogde meeltorlarven zit. Er gaat ook nog een schep ongekookte havermout bij. Zodra ik de keukendeur open doe en de vrieskou naar binnen gulzig het huis binnenstroomt, beginnen ze zenuwachtig heen en weer te hippen: voedsel! Als ik het vogelontbijt naar buiten heb gegooid begin ik aan de volgende ontbijtronde, die voor de kleine vogels. De vetbollen zijn zo hard bevroren dat geen vogel er zijn snaveltje nog aan waagt, daarom hak ik ze met behulp van een vijzel uit elkaar om het voorwerk te verrichten.
Ik hak de pinda’s in kleine stukjes en vermaal ook nog wat pinda’s met een ouderwetse elektrische koffiemolen die alleen voor dit doel bewaard wordt. De pot zoutarme pindakaas die in een speciaal daarvoor bestemde houder ligt, is al voor de helft leeggegeten door de meesjes en de roodborst. Morgen maar vast een nieuwe kopen. Mijn hele zakgeld gaat aan die beesten op.

Vanachter het raam, me warmend aan de opgestookte radiator, bekijk ik wat zich buiten afspeelt en ik erger me dood vanwege dat onophoudelijke geknok van die merels, ze gunnen elkaar geen kruimel van hun welvoorziene dis. Waarom moet dat nou toch! Een trage zanglijster probeert een kruimeltje mee te pikken maar onmiddellijk wordt de vogel verjaagd door die zwartjassen. Je zou ze!
Kleine vogels zijn er nauwelijks, behalve meesjes. Af en toe een enkele vink, groenlingen zie ik al lang niet meer, de goudvink lijkt wel uitgestorven. Zijn andere jaren de grote zware houtduiven volop present, ook die zie ik dit jaar niet in de tuin. Ik wilde met dat ik met die vogels kon converseren, dan zou ik misschien te weten komen waar de rest gebleven is. Na de vorstinval zijn de vogels stil gevallen. De spechten hebben hun geroffel gestaakt, de altijd kletsende boomklevers doen er het zwijgen weer toe, ze hebben even geen tijd meer voor iets anders dan overleven. Over zes weken begint de lente! Ik kan niet wachten.

1 opmerking:

Carla zei

Leuk verhaal.

Een reactie plaatsen